Klik op de afbeelding om te vergroten

Rad 5

– 1968
gesigneerd, getiteld ‘Rad 5’ en gedateerd ‘1968’ verso
reliëf (muurverf, papier en karton op paneel)
30 x 30 cm
Arnold Ligthart
Interesse in dit werk?
Ik vertel u er graag meer over.
Arnold Ligthart

Liever schriftelijk? Stuur mij een bericht

Herkomst

Collectie Fanny Kelk (1918-1978), rechtstreeks verkregen van de kunstenaar
Familie van bovengenoemde, verkregen door vererving

Toelichting

Fanny Kelk en Jan Schoonhoven

Fanny Kelk was textielkunstenaar en kunstjournalist. Ze kwam uit een artistiek gezin, haar moeder Sara Oppenheimer (1881-1962) was textielkunstenaar en de muze van de beeldhouwer John Rädecker. Haar vader, Germ de Jong (1886-1967) was een bekende kunstschilder die gerekend wordt tot de Bergense School. Tussen 1939 en 1953 was Fanny getrouwd met de schrijver, letterkundige en literatuurcriticus Cees Kelk (1901-1981), wiens naam ze aanhield. Na haar scheiding ontmoette ze Constant en werd ze zijn muze en geliefde.

Vanaf midden jaren 60 werkte Fanny Kelk voor het dagblad Het Parool, eerst op freelance basis en later, vanaf 1965, met een eigen rubriek ‘Beeldende Kunst in Amsterdam’. Hierin berichtte ze over actuele exposities in galeries en musea. Ook in andere bladen schreef ze stukken over exposities in binnen- en buitenland. Fanny had een frisse en heel eigen kijk op de kunst van haar tijd. Haar recensies zijn om die reden nog steeds zeer lezenswaardig. Ook haar visie op het werk van Jan Schoonhoven was eigenzinnig en oorspronkelijk.

Schoonhoven nam in oktober 1968 deel aan een expositie bij Pribaut, een galerie in de Amsterdamse Wibautstraat die werd gerund door Debbie Wolf en Paul Mertz. Naast tekeningen van Schoonhoven waren hier architectonische objecten van Gust Romijn en kleurrijk textielwerk van Ria van Eyck te zien. Kelk ontmoette Schoonhoven op de opening en besprak de expositie in Het Parool van 19 oktober 1968. Hierin typeerde ze Schoonhoven als een door systeem geobsedeerde man. Ze beschreef de tekeningen die er te zien waren: ‘Met een fijn pennetje zijn streepjes, krinkeltjes, ruitjes, stipjes recht of diagonaalsgewijs opgetekend. Simpele geometrische tekentjes, die door hun uiteindelijk onregelmatig verloop een schriftuur worden, waarvan — als bij een handschrift — de duiding gaat boeien. Krasjes die tot schrift zijn geworden, tot teken, tot oeuvre’. Zoals uit haar beschrijving van de tekeningen al blijkt, zag ze het systeem van Schoonhoven bepaald niet als saai of emotieloos, maar eerder als een persoonlijk handschrift. De NUL beweging had zich weliswaar ten doel gesteld de persoonlijke emotie uit te schakelen, maar Kelk wees erop – en Schoonhoven realiseerde zich dat natuurlijk ook – dat het eindresultaat, de tekeningen, nog steeds poëtisch en persoonlijk waren.

In een artikel uit februari 1976, dat ze publiceerde naar aanleiding van de expositie NUL rondom 1960 bij Collection d’Art, kwam Fanny Kelk terug op het persoonlijke, emotionele aspect in het werk van Schoonhoven. De portretfoto van Jan Schoonhoven die staat afgedrukt bij het artikel heeft het veelzeggende onderschrift ‘Jan Schoonhoven … Wel emotioneel …’. Verder schrijft Fanny in het artikel: ‘Schoonhovens emotie kwam vanuit een persoonlijke opstelling, zeker; niet allereerst vanuit een belevenis van de geometrie, dat was niet zijn opzet, die geometrie werd het gevolg van zijn levenshouding, en de artistieke consequentie die hij daaruit trok. En wat Schoonhoven maakt is, ten opzichte van de groep, juist wel emotioneel geladen. Verandert in de loop van de jaren ook, de laatste panelen zijn gladder, witter, minder opgedeeld, verlatener. De achtdelingen, zestiendelingen, de cirkels met schoepen behoren tot Schoonhovens romantische verleden’.

Ofschoon Fanny Kelk al in 1968 contact had met Jan Schoonhoven, en toen haar reliëf kan hebben gekregen of gekocht van de kunstenaar, is het evenzeer mogelijk dat ze het reliëf in 1976 heeft aangekocht op de expositie bij Collection d’Art. In haar artikel uit 1976 refereert ze interessant genoeg aan ‘de cirkels met schoepen’, reliëfs die voor haar een bewijs waren van zijn persoonlijke, emotionele en ‘romantische’ instelling.

Dat dit persoonlijk aspect binnen de overwegend koele, zakelijke esthetiek van NUL haar meer dan gemiddeld interesseerde, is goed te begrijpen vanuit Kelks relatie met de CoBrA-pionier Constant Nieuwenhuys, die met zijn expressieve en geëngageerde kunst lijnrecht tegenover NUL stond. Hoewel Kelk nauw betrokken was bij CoBrA, behield ze in haar recensies voor Het Parool de professionele integriteit om de vernieuwingsdrang van de NUL groep op de juiste merites te beoordelen. Ze koesterde een grote waardering voor het werk van Schoonhoven en heeft Rad 5 altijd zelf aan de muur gehad.

Het persoonlijke aspect in het werk van Jan Schoonhoven

Ofschoon Schoonhoven in een manifest-achtige tekst uit 1964, gepubliceerd in De Nieuwe Stijl, een pleidooi hield om de individuele rol van de kunstenaar in te perken en persoonlijke gevoelens uit te bannen, heeft hij dat in latere interviews steeds genuanceerd. Zo verklaarde hij in 1989 tegenover Diana Stigter en Pietje Tegenbosch: ‘Ik wil de persoonlijkheid ook niet al te zeer uitbannen. NUL wilde wel zo objectief mogelijk zijn, maar uiteindelijk is al dat werk zo subjectief als de pest’. Ook in een gesprek met de kunstcriticus Leo Duppen (1984) memoreert Schoonhoven dat de leden van de Informele groep en de latere NUL-groep de kunst zo onpersoonlijk mogelijk wilden maken, maar dat dit uiteindelijk toch vooral theorie was. De praktijk was anders. Het maken van de reliëfs, zeker toen ze nog niet door assistenten werden vervaardigd, bleef een individuele daad. Over de principes waarvan NUL uitging zei Schoonhoven: ‘Het waren methoden en ik kon ermee vooruit op een toch wel persoonlijke, intuïtieve manier. Hang het maar naast iets dat door de machine gemaakt is. Het heeft voor mij toch altijd wel een zekere poëtische spanning behouden’.

Dit alles neemt niet weg dat Schoonhoven ernaar streefde ogenschijnlijk toevallige observaties of persoonlijke emoties te concentreren en intensiveren tot een niet meer toevallig geheel. Janneke Wesseling zegt hierover: ‘Hij blijft daarbij zózeer op de achtergrond, zijn regie is zó onopvallend, dat het reliëf met zijn regelmaat en de kleine afwijkingen van die regelmaat als vanzelf tot stand lijkt gekomen – het is anoniem’.

Interessant in dit verband is een tekst die Schoonhoven in 1962 schreef voor de catalogus van een expositie (met werk van Schoonhoven, Castellani, Manzoni) bij galerie Delta in Rotterdam. Hierin brengt hij de spanning tussen het objectieve en subjectieve ter sprake: ‘Inperking van de subjectiviteit van de “artiste isolé” werd gevonden in de toepassing van elementen van herhaling en a-chromie. De op deze basis ontstane geharmoniseerde spanning houdt tevens een nieuwe synthese in van de polariteit van het subjectieve en objectieve’. De genoemde polariteit zou een van de kernpunten blijven in het werk van Schoonhoven.

Dit reliëf Rad 5 (1968) is zeker door Schoonhoven zelf vervaardigd. Zijn vaste assistent Aad in ’t Veld kwam pas rond 1970 in beeld. Toen Aad in ’t Veld de reliëfs ging maken werden ze na verloop van tijd steeds perfecter en regelmatiger, anders gezegd, het individuele aspect verdween meer en meer naar de achtergrond. Interessant genoeg merkte Fanny Kelk dit ook op in haar bespreking van de expositie bij Collection d’Art in 1976. Het viel haar op de meest recente reliëfs ‘gladder’ en ‘witter’ waren dan de oudere reliëfs, die ze karakteriseerde als ‘romantisch’.

Schoonhovens keuze voor de ronde vorm

Tussen de overwegend rechthoekige en vierkante reliëfs met strakke grids en herhalende geometrische structuren nemen de cirkelvormige reliëfs, waarvan Schoonhoven er maar enkele vervaardigde, een bijzondere plaats in. In de publicatie Jan Schoonhoven, Delft (2015) wordt nader ingegaan op de achtergronden van Schoonhovens keuze voor de ronde vorm: ‘Voor zijn ronde reliëfs komen tal van bronnen in aanmerking. Een goedkoop luchtroostertje in zijn eigen huis, de stervormige beschadiging in een ruit, een sierlijk ventilatierooster aan de Oude Delft en de monumentale roosvensters in de Maria van Jessekerk. Wellicht combineerde Schoonhoven dergelijke waarnemingen, gelet op zijn bewondering voor de eenheid van religie, kunst en wereld in de gotiek’.

In 1968, toen Schoonhoven Rad 5 maakte, was zijn naam definitief gevestigd. In het najaar van 1967 had hij een groot succes behaald op de Biënnale van Sao Paulo. In het Nederlandse paviljoen hingen 13 reliëfs van zijn hand die werden bekroond met een prijs. Dit betekende zijn internationale doorbraak, Schoonhoven was in één klap beroemd. In 1968 kreeg hij een groot overzicht in het Van Abbemuseum in Eindhoven en was zijn werk ook te zien op de vierde Documenta in Kassel.

De inzending voor de Biënnale in 1967 bevatte reeds een experiment met een rond reliëf, een grote cirkel met een diameter van 120 cm. Deze cirkel is, in tegenstelling tot de latere Rad-serie, niet gemonteerd op een vierkante ondergrond. Ook zijn de schoepen van dit grote rad opgedeeld in kleinere vierkante en rechthoekige segmenten.

Van de Rad-serie die hij maakte in 1968 – een jaar waarin hij veel experimenteerde met afwijkende vormen en structuren – zijn vijf versies bekend op verschillende formaten. De eerste versie, die verloren is gegaan, schonk hij aan Bertus, de eigenaar van café Belvédère, Schoonhovens stamkroeg. Het is niet bekend wat de maten zijn geweest van dit reliëf. De andere vier Rad-reliëfs zitten in privé collecties: Rad 2 (37,5 x 37,5 cm), Rad 3 (50 x 50 cm) en Rad 4 (45 x 45 cm) en dit exemplaar, Rad 5 (30 x 30 cm).

Rad 5 is altijd in de familie van Fanny Kelk gebleven. Het werk zal worden opgenomen in de oeuvre catalogus van de reliëfs van Jan Schoonhoven die zal worden samengesteld door Antoon Melissen.

Geraadpleegde bronnen:

Fanny Kelk, ‘Systeem als obsessie. Jan Schoonhoven bij Galerie Pribaut’, Het Parool, 19 oktober 1968
Fanny Kelk, ‘Nul: een adempauze in de kunst’, Het Parool, 3 februari 1976
Fanny Kelk, Flarden en Raapsels, Amsterdam 1978
Leo Duppen, ‘Jan J. Schoonhoven, ik moet mijn persoonlijk handschrift hebben’, Kunstbeeld 9 (oktober 1984), nr. 1, pp. 50-53
Janneke Wesseling, Schoonhoven. Beeldend kunstenaar, Den Haag 1990
Diana Stigter, Pietje Tegenbosch, ‘Bevlogen wit’, in: Tijs Visser, Colin Huizing (red.), Nul = 0. De Nederlandse NUL-groep in een internationale context, Schiedam/Rotterdam 2011,
Marga Schoemaker-Van Weeszenberg, Hendrik van Leeuwen, Sylvia Pont, Jan Schoonhoven, Delft, Delft 2015, pp. 94-95
Sandra van Beek, Ik een nieuwe Mondriaan ? Ik ben een ouwe Schoonhoven ! Leven en werk van de ambtenaar-kunstenaar J.J. Schoonhoven, Amsterdam 2019, pp. 12-17, 74-76
Antoon Melissen, Lothar Wolleh ziet Jan Schoonhoven, Zwolle 2023
Biografische gegevens Fanny Kelk van Wikipedia

Vraag naar dit werk

Laat uw gegevens achter, dan neem ik contact met u op. U kunt mij ook bellen op 06 53325158.