Klik op de afbeelding om te vergroten

Zonder titel

– 1972
gesigneerd en gedateerd 1972 verso
olieverf op doek
50 x 150 cm
Arnold Ligthart
Interesse in dit werk?
Ik vertel u er graag meer over.
Arnold Ligthart

Liever schriftelijk? Stuur mij een bericht

Toelichting

In de jaren 70 maakte Rob van Koningsbruggen furore met zijn conceptuele schilderijen. Na een kort verblijf op de Koninklijke Academie (1968) en de Vrije Akademie in Den Haag (1969), zat hij twee jaar, van 1970 tot 1972, op Ateliers 63, toen nog gevestigd in Haarlem. Hij maakte in die tijd breiwerkjes en tekeningen met teksten en herhalende vormen. De door Van Koningsbruggen bewonderde Jan Schoonhoven zag zijn werk in 1971 bij de Internationale Galerij Orez In Den Haag. Hij was er direct door getroffen. Schoonhoven kocht een tekening en betitelde het als ‘zeroïstisch’. Gedurende zijn studiejaren aan Ateliers 63 exposeerde Van Koningsbruggen al bij gerenommeerde galeries als Nouvelles Images (Den Haag), De Mangelgang (Groningen) en Orez (Den Haag). In 1972 toonde hij veertig tekeningen in het Haags Gemeentemuseum en kreeg hij zijn eerste solo tentoonstelling bij de galerie van Riekje Swart in Amsterdam.

In Nederland groeide Van Koningsbruggen uit tot een van de voormannen van de Fundamentele schilderkunst. In deze kunst staat de idee centraal. Een van de concepten waarmee hij zich bezighield was het idee dat je een kwast in de verf doopt en gelijkmatig, in parallelle rechte lijnen, meestal van links naar rechts, maar soms ook van rechts naar links, over het doek leeg strijkt. De lijnen die ontstaan zijn aan het begin dik in de verf. Naarmate de streek vordert wordt de verf dunner, wordt de kleur minder en het onderliggende doek zichtbaarder. Binnen dit concept varieerde Van Koningsbruggen door een aantal keuzes: de vorm van het doek, de gekozen kleur, de hoeveelheid verf en de breedte van de kwast.

De keuze voor de dominantie van het idee leidde ertoe – ook bij de kunstenaar zelf – om het eindresultaat, het kunstwerk zelf dus, te bestempelen als bijzaak. Dit moet vooral worden gezien in het licht van de stellingname tegen het unieke, subjectieve, mythologiserende handschrift, dat de kunst zo lang had gedomineerd. Maar net als bij de NUL-kunst van de door Van Koningsbruggen bewonderde Jan Schoonhoven, leidde een beperking van de middelen en het gebruik van een helder en eenduidig concept juist tot een handschrift dat heel persoonlijk en eigenzinnig is. Van Koningsbruggen hield vast aan het idee dat een goed idee bijna altijd leidt tot een goed schilderij. In een later interview, uit 1985, nuanceerde hij dat. ‘Toch heb ik schilderijen gemaakt die vanuit eenzelfde idee zijn ontstaan en waarvan ik achteraf denk: die is goed, en die minder. Zo kom je erachter dat een schilderij ook nog aan bepaalde visuele eisen moet voldoen’. Dit schilderij uit 1972 is, aldus de kunstenaar zelf (wat ik ten volle onderschrijf), goed, nee: heel erg goed.

De kunsthistorica Els Hoek beschrijft hoezeer het resultaat misschien toch belangrijker was dan gedacht: ‘Tien jaar lang, van 1969 tot 1979, heeft hij zich in woord en daad onderworpen aan het geloof dat alleen het idee, dat aan een kunstwerk ten grondslag ligt, er iets toe doet. Niet het resultaat. Maar als je ziet wat hij in die tien jaar maakte, dan vraag je je af of hij daar ooit echt van overtuigd is geweest. Steeds ging het resultaat met het idee aan de haal’.

Dit drieluik uit 1972 is een krachtig voorbeeld van de stelling dat het resultaat het idee overstijgt. Dit fascinerende schilderij is opgezet met de kleuren rood en geel. Op ieder van de drie delen heeft de kunstenaar z’n kwast in twee richtingen leeg gestreken: de kleur geel (van links naar rechts) en de kleur rood (van rechts naar links). Eerst werden de rode streken gezet, daarna volgden de gele. De drie delen werden kort na elkaar gemaakt. Als je het drieluik van links naar rechts leest, vermengen de kleuren rood en geel zich in ieder van de drie delen steeds verder tot oranje/vermiljoen. De kwaststreek is repetitief, herhalend, toch is iedere streek verschillend en individueel. Ook ontstaat er door de steeds verschillende verfafgifte van de kwast en de vermenging van de twee kleuren rood en geel een fascinerend spel van kleurschakeringen. Belangrijk zijn ook de delen waar het doek nog zichtbaar is door beperkte verf afgifte, waar door de druk van de kwast op het bewegelijke doek de verticale lijn van het spieraam zichtbaar wordt, of waar de kwast aan de rechterrand van ieder deel extra verf heeft afgegeven.

In een radio interview van 31 maart 1987 ging Van Koningsbruggen uitgebreid in op z’n manier van werken. Hij beschrijft hoe hij de kwast in een pot verf doopt en gelijkmatig uitstrijkt, hoe dit een verloop in de verf oplevert en hoe hij de streek er in één keer op zet. Hij vertelt verder hoe hij bewust gebruik maakt van het spieraam, doordat het raam zich aftekent in de verf op het doek. Meestal werkte hij in die vroege jaren zeventig in zwart en wit, hoogst zelden in kleur. Wat dat betreft is dit drieluik in de kleuren geel-rood-oranje een uitzonderlijk stuk. Van Koningsbruggen verklaarde verder dat hij destijds ongeveer 1 schilderij per week maakte. Niet dat hij een hele week schilderde aan één doek, want de uitvoering vergde soms niet eens veel tijd. Met enige overdrijving verklaarde hij in een interview met Carel en Hoos Blotkamp uit 1975: ‘Die verfstreek is binnen tien sekonden gepleegd, maar ik heb er wel een week voor nodig’.

In datzelfde interview vertelt Van Koningsbruggen dat hij twee jaar gewerkt heeft met het concept van het leegstrijken van een kwast. Ieder nieuw doek moest, vanuit hetzelfde basis idee opgezet, wel essentieel verschillen van het vorige. ‘Maar waar dat nou precies in zit, dat weet ik ook niet’, aldus Van Koningsbruggen.

Geraadpleegde bronnen:

Carel Blotkamp, Hoos Blotkamp, ‘Rob van Koningsbruggen’, Centraal Museum Utrecht Mededelingen, mei 1975
Wim Crouwel, Erik Beenker, Rob van Koningsbruggen. Schilderijen en tekeningen, Rotterdam (Museum Boymans-Van Beuningen) 1987
Linda Boersma, Ellen de Bruijne, ‘Rob van Koningsbruggen, het spoor langs rechte en kromme wegen’, Metropolis M, jrg. 6 (1985)
Els Hoek, ‘Van Koningsbruggen mengt zich in de strijd van de kleur, De Volkskrant, 29 april 1987
‘De magie van Rob van Koningsbruggen’, radio interview in de serie Beeldspraak, uitgezonden 31 maart 1987
Anke van der Laan, René Pingen, Rob van Koningsbruggen. Schilderijen 1986-1996, Heerlen (Stadsgalerij) 1996
Hans den Hartog Jager, Carel Blotkamp, Rob van Koningsbruggen. Overzicht werken 1968-2002, Amsterdam, Gent, Den Haag 2002
Hans den Hartog Jager, Verf. Hedendaagse Nederlandse schilders over hun werk, Amsterdam 2011 (2004), pp. 95-106
Benno Tempel, Rob van Koningsbruggen. Schilderijen 2003-2019, Den Haag, Zwolle 2019

Vraag naar dit werk

Laat uw gegevens achter, dan neem ik contact met u op. U kunt mij ook bellen op 06 53325158.