Liever schriftelijk? Stuur mij een bericht
Kunstzalen A. Vecht, Amsterdam
Collectie Levit, Bergen
J.J. Isaacson was de zoon van een Haagse antiquair. Reeds op 11-jarige leeftijd volgde hij, aangemoedigd door Christoffel Bisschop, lessen aan de Haagse Academie van Beeldende Kunsten. Hij bracht ruim een jaar door in Londen, waar hij succes had als portrettist. Na z’n terugkeer in Nederland kreeg hij van de bankier A.C. Wertheim een studiebeurs, die hem in staat stelde les te nemen bij Isaac Meijer de Haan. In 1888 reisde hij samen met De Haan naar Parijs, die hem introduceerde bij Theo van Gogh. Isaacson raakte nauw bevriend met Theo. Ze spraken elkaar bijna dagelijks en dineerden bij Theo thuis. Ook waren ze geregelde bezoekers van de bekende Parijse kunstenaarscafé’s. Door de brieven van zijn broer Theo, die lovende woorden sprak over het werk van zowel De Haan als Isaacson, raakte ook Vincent geïnteresseerd. Hij hoopte hij dat de twee in 1888 naar Arles zouden komen. Voor dit doel had Vincent zelfs, lezen we in een brief van 9 januari 1889, twee extra kamers gehuurd in het Gele Huis. Maar Isaacson en De Haan zouden niet naar Arles afreizen. Misschien waren ze op de hoogte van het tumultueuze verblijf van Gauguin, dat eind december 1888 eindigde met een fikse ruzie waarbij de door psychoses en angsten gekwelde Van Gogh z’n linkeroor afsneed.
Mede door zijn nauwe banden met Theo van Gogh en Meijer de Haan, kwam Isaacson in Parijs in contact met Camille Pissarro, Edgar Degas, Henri de Toulouse-Lautrec, Emile Bernard en Paul Gauguin. Isaacson was naast schilder ook journalist en in die hoedanigheid de eerste pleitbezorger van Van Gogh. In augustus 1889 schreef Isaacson als correspondent voor het weekblad De Portefeuille een artikel over de Parijs wereldtentoonstelling, waarin hij z’n diepe bewondering voor Vincent van Gogh tot uitdrukking bracht. Het jaar daarop, in 1890, publiceerde Isaacson wederom een artikel over Van Gogh in Mercure de France. Deze onverwachte en welgemeende aandacht bracht Van Gogh enigszins uit balans, hij was er niet echt klaar voor en vond dat hij er nog niet in was geslaagd werk van importantie te maken. Hoe dan ook, toch was Van Gogh hem dankbaar en stuurde hij hem – getuige een brief aan Theo van ca. 25 oktober 1889 – als aandenken een zelfportret. Overigens heeft Isaacson het schilderij niet lang in bezit gehad, hij deed het circa 1905 van de hand.
Op 25 mei 1890, slechts enkele maanden voor z’n overlijden, schreef Vincent vanuit Auvers een lange brief aan Isaacson. Hierin drukte hij hem nogmaals op het hart in zijn artikelen slechts summier aandacht te schenken aan zijn werk, waar Van Gogh zelf nog mee worstelde. Hij was beducht voor alle aandacht en realiseerde zich dat dat zaken waar hij zich mee bezighield, ‘kleur en modern gevoel’, pas door volgende generaties echt zouden worden begrepen.
Toen Isaacson in 1890 naar Nederland terugkeerde, ging hij aan de slag met het organiseren van tentoonstellingen over Vincent van Gogh, die inmiddels was overleden. In de dagboeken van de weduwe van Theo van Gogh, Johanna Bonger, komt de naam van Isaacson in dat verband meermalen voor. In 1892 lukte het een tentoonstelling te organiseren bij de kunsthandel Buffa & Zonen in Amsterdam en Oldenzeel in Rotterdam. Al met al kan worden gesteld dat Isaacson een belangrijke rol speelde in de vroege waardering voor het werk van Van Gogh. In feite vervulde hij hierin een voortrekkersrol.
In 1896 vertoefde Isaacson vier maanden in Egypte, met steun van de familie Wegerif-Gravestein. In 1904 huwde hij Emmerentine Weill, de zus van de bekende harpiste Anna Weill. Twee jaar later, in 1906 verbleef hij nogmaals in Egypte, nu voor een langere periode. Eenmaal terug in Nederland vestigde hij zich in Amsterdam, waar hij tot 1921 een atelier had in de Helmersstraat, daarna op de Prins Hendrikkade. In deze latere periode hield hij zich vooral bezig met het schilderen van portretten en oud-testamentische taferelen. In de jaren dertig kocht het Stedelijk Museum enkele werken van hem aan.
Gedurende de oorlogsjaren leefde hij een teruggetrokken bestaan en verdiepte zich in joodse mystiek. Isaacson en zijn vrouw ontkwamen niet aan de gruwelen van de holocaust en werden in 1942 om het leven gebracht in het concentratiekamp Auschwitz.
Geraadpleegde bronnen:
Just Havelaar, ‘J.J. Isaacson’, Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 39 (1929), pp. 217-225
Han van Crimpen, Monique Berends-Albert, De brieven van Vincent van Gogh (deel I t/m IV), Den Haag 1990
C. van Hoore, ‘Schilder J.J. Isaacson (1859-1942), ontdekker van Van Gogh, Leids Dagblad, 25 juli 1990
Jan van Adrichem, Piet Calis, Sem Dresden (e.a.), Rebel, mijn hart. Kunstenaars 1940-1945, Zwolle 1995, p. 142
C. Stolwijk, Uit de schilderswereld. Nederlandse kunstschilders in de tweede helft van de negentiende eeuw, Leiden 1998
J. Kröger, S. Tas (ed.), Meijer de Haan: A Master Revealed, Parijs/Amsterdam 2009
Laat uw gegevens achter, dan neem ik contact met u op. U kunt mij ook bellen op 06 53325158.